ECLI:NL:CRVB:2020:2730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante was tot augustus 2012 werkzaam in de tuinbouw en meldde zich in oktober 2013 ziek. Na een periode van WW-uitkering werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies, waaronder productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie. Haar bezwaar tegen de weigering van een WIA-uitkering werd ongegrond verklaard. In 2016 meldde zij zich opnieuw ziek en kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend.
In maart 2017 vond een medisch onderzoek plaats waarbij een verzekeringsarts appellante geschikt achtte voor ten minste één van de functies die bij de WIA-beoordeling waren vastgesteld. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 5 april 2017. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel na zorgvuldige beoordeling van de medische rapporten, waaronder een expertiserapport van een onafhankelijke arts, dat geen aanleiding gaf tot een ander oordeel.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten zijn onderschat en dat de belasting van de functie haar belastbaarheid overschrijdt. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het rapport van de verzekeringsarts voldoende onderbouwt dat appellante geschikt is voor de functie productiemedewerker. Nieuwe medische stukken of gronden zijn niet ingebracht die het oordeel kunnen wijzigen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. De ZW-uitkering is terecht beëindigd per 5 april 2017.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht per 5 april 2017 beëindigd na een zorgvuldige medische beoordeling.