ECLI:NL:CRVB:2020:2740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-woonachtig op BRP-adres
Appellante stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een bepaald adres en ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten. De minister liet een onderzoek uitvoeren naar haar woonsituatie, waarbij controleurs een rapport opstelden na een huisbezoek en het horen van de hoofdbewoner.
Op grond van dit rapport herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellante als thuiswonende, met terugvordering van het teveel ontvangen bedrag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen aanwijzingen waren dat zij daadwerkelijk op het BRP-adres woonde, mede vanwege het ontbreken van persoonlijke spullen en tegenstrijdige verklaringen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de minister onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet op het adres woonde. De Raad oordeelde dat het rapport van de controleurs voldoende feitelijke grondslag bood voor de herziening. De verklaring van appellante over het ontbreken van spullen werd niet geloofwaardig bevonden, en het aanwezige beddengoed leidde niet tot het oordeel dat zij daar haar hoofdverblijf had.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de studiefinanciering terecht is herzien en teruggevorderd omdat appellante niet woonachtig was op het BRP-adres.