Appellant ontving sinds 1993 een WAO-uitkering wegens maag- en psychische klachten. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 25 tot 35%, waarbij alleen psychische beperkingen werden meegewogen. Lichamelijke klachten, zoals hart- en longproblemen, werden niet meegenomen omdat deze niet onder de WAO vallen.
Appellant stelde dat zijn lichamelijke klachten ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten en dat zijn psychische beperkingen werden onderschat, met name vanwege een verstoord dag- en nachtritme. De verzekeringsartsen concludeerden echter dat de lichamelijke klachten voortkomen uit een andere oorzaak dan de psychische klachten waarop de WAO-uitkering is gebaseerd. De psychische beperkingen waren volgens hen juist en voldoende in kaart gebracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding om de urenbeperking aan te passen ondanks het verstoorde dag- en nachtritme, omdat dit niet met medische stukken is onderbouwd. Het hoger beroep wordt verworpen en de verlaging van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.