ECLI:NL:CRVB:2020:2790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante, werkzaam als zorgverlener, ontving sinds 2013 een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullende beperkingen werden erkend, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de artsen van het UWV terecht concludeerden dat appellante benutbare mogelijkheden had. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar energetische klachten en fysieke beperkingen onvoldoende waren meegenomen en dat zij preventief urenbeperking behoorde te krijgen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de artsen van het UWV voldoende rekening hadden gehouden met haar psychische stoornissen, waaronder PTSS en depressie, en dat er geen medische onderbouwing was voor extra fysieke beperkingen of preventieve urenbeperking. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV-besluit, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering van appellante terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.