ECLI:NL:CRVB:2020:2791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellant, geboren in 1993, ontvangt sinds 2011 een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft in 2016 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, waardoor zijn uitkering vanaf 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond op basis van medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant in staat is om ten minste één uur aaneengesloten te werken en vier uur per dag belastbaar is, ondanks zijn psychosociale beperkingen en communicatieve problemen. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige motiveerden dit oordeel uitvoerig, waarbij ook rekening werd gehouden met het mbo-2 diploma van appellant en zijn eerdere activiteiten.
In hoger beroep herhaalt appellant dat hij geen arbeidsvermogen heeft, verwijzend naar een brief van GGZ Altrecht uit 2016 en zijn complexe leefsituatie. De Raad stelt echter vast dat deze informatie reeds bekend was en betrokken is bij eerdere beoordelingen. Zonder nieuwe medische of arbeidskundige gegevens wordt het standpunt van appellant niet onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat appellant arbeidsvermogen heeft. De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 is daarmee terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 is terecht bevestigd.