ECLI:NL:CRVB:2020:2812

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
13 november 2020
Zaaknummer
20/25 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens verzuim inzenden gronden hoger beroep in sociale zekerheidszaak

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was voldaan en de gronden van het hoger beroep niet binnen de gestelde termijn waren ingediend.

Appellant deed vervolgens verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting verscheen appellant niet en het college liet zich niet vertegenwoordigen. In het verzetschrift gaf appellant aan niet over de financiële middelen te beschikken om in hoger beroep te gaan.

De Raad overwoog dat appellant een verzoek om betalingsonmacht had kunnen indienen en dat er geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 november 2020.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens verzuim bij het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
20/25 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 december 2019, 19/1263 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 26 mei 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 oktober 2020. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad berust op de overwegingen dat appellant het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan, de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellant aangegeven niet over de financiële middelen te beschikken om in hoger beroep te gaan. De Raad overweegt daartoe dat appellant een verzoek om betalingsonmacht had kunnen doen.
De Raad stelt ook vast dat in het verzetschrift geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest voor het niet inzenden van de gronden van het hoger beroep.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R. H. Koopman