ECLI:NL:CRVB:2020:2826

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
16 november 2020
Zaaknummer
19/1670 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens onvolledige tenaamstelling betalingsherinnering in AOW-zaken

In deze zaak stond het hoger beroep van appellant tegen de Sociale verzekeringsbank (Svb) centraal inzake AOW-zaken. De Raad had eerder het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing door middel van verzet.

Tijdens de behandeling van het verzet stelde de Raad vast dat de betalingsherinnering, verzonden op 24 juni 2019, onvolledig was geadresseerd. Hierdoor kon de gemachtigde van appellant de herinnering niet ontvangen, wat de reden was voor het niet voldoen van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

De Raad verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en besloot het onderzoek voort te zetten in de stand waarin het zich bevond. Tevens werd aan appellant een nieuwe termijn gegund voor het voldoen van het griffierecht. De Svb werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant ter hoogte van €525,-.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
19/1670 AOW-V en 19/1671 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 maart 2019, 16/8577, 17/546 en 17/5352 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 december 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft mr. J.H. Weermeijer verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 19 juni 2020. Namens appellant is mr. Weermeijer verschenen. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De behandeling ter zitting is geschorst.
De behandeling is vervolgens hervat ter zitting van 2 oktober 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 december 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 24 juni 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad heeft geconstateerd dat de tenaamstelling op de aangetekend verzonden betalingsherinnering van 24 juni 2019 onvolledig is. De betalingsherinnering kan om deze reden de gemachtigde van appellant niet hebben bereikt.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van
18 december 2019 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Aan de gemachtigde van appellant zal een nieuwe termijn worden gegund voor het voldoen van het verschuldigde griffierecht.
De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van het verzet van appellant tot een bedrag van € 525,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van het verzet van appellant tot een bedrag van
€ 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.H. Koopman
GdJ