ECLI:NL:CRVB:2020:2832

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
16 november 2020
Zaaknummer
20/891 AW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:119 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in verzoek om herziening wegens niet-betaald griffierecht ongegrond verklaard

Verzoeker had een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Verzoeker stelde in verzet dat hij de betalingsherinnering niet had ontvangen en dat de eerdere brief foutief was bezorgd. Ook voerde hij persoonlijke omstandigheden aan waardoor hij de betalingstermijn had gemist.

De Raad oordeelde echter dat de brieven correct waren gericht aan het juiste adres, dat verzoeker op dat adres stond ingeschreven, en dat PostNL volgens het volgsysteem een afhaalbericht had achtergelaten. Verzoeker kon geen concrete bewijzen van postbezorgingsproblemen overleggen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. Bangma in aanwezigheid van griffier R.H. Koopman op 13 november 2020.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdige betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
20/891 AW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2015, 13/3125 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van 9 juli 2020 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 2 oktober 2020. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 9 juli 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 10 april 2020 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij de aangetekend verzonden betalingsherinnering van 10 april 2020 niet heeft ontvangen en geen afhaalbericht van PostNL in de brievenbus heeft aangetroffen. Ook de brief van 10 maart 2020, waarbij verzoeker voor de eerste maal werd verzocht het griffierecht te voldoen, heeft hem in eerste instantie niet bereikt. De brief van 10 maart 2020 was kennelijk foutief bezorgd en is op enig moment zonder enveloppe bij verzoeker door de brievenbus gedaan. Verzoeker heeft daarop het griffierecht voldaan. Verzoeker had door persoonlijke omstandigheden veel aan zijn hoofd en het is hem ontgaan dat de betalingstermijn al was verstreken. Verzoeker stelt dat het niet in zijn nadeel mag uitvallen, dat de brief hem zo laat heeft bereikt.
De Raad is van oordeel dat verzoeker in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. De brieven van 10 maart 2020 en 10 april 2020 zijn gericht aan het door verzoeker opgegeven adres. Bij onderzoek is de Raad gebleken dat verzoeker op het moment dat de brieven zijn verzonden ook in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op dit adres. Het elektronisch volgsysteem van PostNL vermeldt dat op 15 april 2020 is geprobeerd de brief van 10 april 2020 te bezorgen, maar dat dit niet is gelukt. Op 16 april 2020 is de bezorging wederom niet gelukt, waarna de zending is teruggestuurd naar een PostNL-punt, waar het kon worden afgehaald. Gelet hierop gaat de Raad er van uit dat PostNL, overeenkomstig de daarvoor geldende richtlijnen, op 16 april 2020 ook een afhaalbericht bij verzoeker in de brievenbus heeft achtergelaten. Concrete bewijzen van problemen met de postbezorging zijn niet overgelegd.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.H. Koopman