ECLI:NL:CRVB:2020:2892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheid na bezwaar en beroep
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich in oktober 2014 ziek met lichamelijke klachten, later aangevuld met psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in juli 2016 kende het UWV hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38,37%. Na bezwaar werd dit percentage bij besluit van mei 2017 aangepast naar 36,85%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat de geduide functies zijn belastbaarheid overschreden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen ernstig werden onderschat, met name vanwege een hoog handelingstempo en productiepieken in de functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden in hoger beroep grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren, die al door de rechtbank waren gemotiveerd beoordeeld. Het UWV had toegelicht dat appellant niet beperkt was op het aspect deadlines en productiepieken en dat het hoge handelingstempo niet voorkwam in de geduide functies. De Raad onderschreef deze standpunten en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt, waardoor de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.