ECLI:NL:CRVB:2020:2898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen per 1 januari 2018
Appellante, geboren in 1987, ontvangt sinds 2005 een Wajong-uitkering vanwege oogproblemen en andere aandoeningen. Het UWV heeft in 2016 een herbeoordeling uitgevoerd en vastgesteld dat zij per 1 januari 2018 arbeidsvermogen bezit, waardoor haar uitkering werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.
De rechtbank Noord-Nederland vernietigde het bezwaar van appellante tegen deze verlaging wegens een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. De rechtbank oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten zorgvuldig en inzichtelijk waren opgesteld en dat appellante wel degelijk taken kan verrichten, zoals het sorteren van post.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen arbeidsvermogen heeft en dat zij op grond van langdurige uitkeringsduur volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn. De Raad verwierp deze stellingen omdat zij geen nieuwe onderbouwing leverde en bevestigde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek heeft verricht. De Raad oordeelde dat de wettelijke bepalingen inzake volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet op appellante van toepassing zijn en bevestigde het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat de verlaging van de Wajong-uitkering terecht is en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering terecht is verlaagd wegens vastgesteld arbeidsvermogen.