ECLI:NL:CRVB:2020:2901

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
23 november 2020
Zaaknummer
19/931 WIA-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond verklaard wegens niet betalen griffierecht binnen gestelde termijn

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Vervolgens deed appellante verzet tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting van 2 oktober 2020 waren partijen niet aanwezig. De Raad overwoog dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 11 november 2019 gestelde termijn was voldaan. Er waren geen omstandigheden aangevoerd die het niet betalen rechtvaardigen, zodat het verzet ongegrond werd verklaard.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 november 2020.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
19/931 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2019, 18/3269 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
NauthaDutilh N.V. (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 6 februari 2020 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 oktober 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 6 februari 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 11 november 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
Appellante heeft in verzet geen omstandigheden aangevoerd die het niet betalen van het griffierecht rechtvaardigen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.H. Koopman
GdJ