Uitspraak
19.2587 WUV, 19/2588 WUV
OVERWEGINGEN
-zonder eventuele vervolgvonnissen
-de einddatum van de detentie ligt op 1 juli 2020.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv, ontving een periodieke uitkering en voorzieningen. Na een melding van detentie per 20 september 2018 heeft de Sociale verzekeringsbank de betalingen op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wuv met terugwerkende kracht stopgezet. Appellant verbleef in detentie tot 15 augustus 2019, waarna hij in een (half)open kamp verbleef.
Appellant voerde aan dat de stopzetting onterecht was en dat toepassing van artikel 37, tweede en derde lid, van de Wuv had moeten plaatsvinden. De Raad oordeelde dat vanwege het ontbreken van minderjarige kinderen of een gelijkgestelde partner geen toepassing van het tweede lid mogelijk was. Ook was er geen sprake van ontslag uit detentie, zodat het derde lid niet van toepassing was.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan concrete vergelijkingsgevallen. De terugvordering van een te veel betaalde uitkering over oktober 2018 werd gegrond verklaard omdat de informatie over detentie toen pas bekend werd. De bestreden besluiten werden in stand gelaten en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de stopzetting van de Wuv-uitkering wegens detentie wordt ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.