ECLI:NL:CRVB:2020:2963
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen heffingskortingen AOW en afwijzing schadevergoeding
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin werd meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2019 geen heffingskortingen meer ontvangt op zijn AOW-pensioen, wat leidt tot een lagere uitkering. Het bezwaarschrift werd ingediend op 18 april 2019, verwijzend naar een eerder bezwaarschrift van 3 januari 2019, waarvan de ontvangst door de Svb niet kon worden bevestigd.
De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening en het ontbreken van bewijs dat het bezwaar tijdig was ingediend. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellant af, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig bezwaar had gemaakt en geen verschoonbare omstandigheden had aangevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, waaronder dat hij op 3 januari 2019 een brief naar de Duitse Belastingdienst had gestuurd en dat de Svb niet had bewezen dat het besluit op die dag was verzonden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en wees het schadevergoedingsverzoek af.
De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en sprak de beslissing uit in het openbaar op 27 november 2020.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.