ECLI:NL:CRVB:2020:298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing leenbijstand wegens onverantwoorde besteding vermogen
In deze zaak ging het om de toekenning van leenbijstand aan appellante. Het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard had de aanvraag afgewezen omdat appellante in de periode voorafgaand aan de aanvraag onverantwoorde uitgaven had gedaan door aanzienlijke bedragen over te maken naar familieleden. Hierdoor zou zij tekortschietend hebben gehandeld in haar verantwoordelijkheid voor het voorzien in haar bestaan.
De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellante ongegrond verklaard. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geld had geleend van haar moeder en dat de uitgaven onderdeel waren van de terugbetaling van die lening. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante het bestaan van de schuld niet aannemelijk had gemaakt met verifieerbare en objectieve gegevens, noch dat er een afdwingbare terugbetalingsverplichting bestond.
De verklaringen van familieleden waren achteraf opgesteld en onvoldoende om de noodzaak van de uitgaven te onderbouwen. De Raad bevestigde daarom dat de uitgaven hebben geleid tot een voorzienbaar vervroegd beroep op bijstand, wat niet toelaatbaar is volgens de Participatiewet. De afwijzing van de leenbijstand werd dan ook bekrachtigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de leenbijstand wegens onverantwoorde besteding van vermogen wordt bevestigd.