ECLI:NL:CRVB:2020:3065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante viel uit wegens knie- en rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de medische beoordeling van het UWV, inclusief het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, juist en zorgvuldig is.
Appellante voerde onder meer aan dat haar beperkingen niet volledig waren erkend en dat de referteperiode voor het maatmanloon onjuist was. De Raad stelt dat de arbeidsdeskundige deze punten overtuigend heeft gemotiveerd en dat er geen nieuwe medische stukken zijn ingediend die het oordeel kunnen ondermijnen.
Het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen. De Raad concludeert dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.