ECLI:NL:CRVB:2020:3084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten zonder dringende redenen
Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geconfronteerd met een terugvordering van €3.857,46 over 2017 vanwege niet gemelde bijschrijvingen op zijn bankrekening. Het college kwalificeerde deze bijschrijvingen als inkomsten, ook al betrof het leningen die appellant moest terugbetalen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, omdat hij niet was bevoordeeld en het college niet was benadeeld. De Raad oordeelde dat dringende redenen slechts gelden bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen en dat appellant deze niet aannemelijk had gemaakt.
Het college had in het verweerschrift een nadere individuele afweging gemaakt en verwees naar jurisprudentie die vergelijkbare situaties betrof. De Raad vond dat het college terecht had geoordeeld dat geen dringende redenen aanwezig waren en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens ontbreken van dringende redenen om hiervan af te zien.