ECLI:NL:CRVB:2020:3122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens niet-ingezetenschap in Nederland
Appellant kreeg met ingang van 22 december 2013 een AOW-pensioen toegekend met een korting wegens niet-verzekerde jaren. Na een onderzoek van de Sociale verzekeringsbank (Svb) naar de ingezetenschap van appellant, werd het pensioen per 14 juli 2017 herzien met een hogere korting en werd een bedrag teruggevorderd. De rechtbank oordeelde dat appellant in de periode van 30 september 2002 tot en met 14 februari 2012 niet verzekerd was voor de AOW, maar vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering voor een deel van die periode.
De Svb motiveerde nader dat appellant in Suriname woonde en niet in Nederland, onderbouwd met onder meer een verblijfsvergunning, gebruik van een creditcard in Suriname, een samenlevingscontract aldaar en verklaringen over het huishouden. Appellant voerde tegen dat hij vooral in Nederland verbleef, maar leverde geen bewijs. De Raad concludeerde dat de Svb voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant niet als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.
De herziening van het pensioen met terugwerkende kracht is volgens de Raad gerechtvaardigd, mede omdat appellant niet alle verplichtingen is nagekomen, zoals het niet melden van het verblijf in Suriname. De terugvordering van het te veel betaalde pensioen is terecht, aangezien appellant geen dringende redenen heeft aangevoerd om hiervan af te zien. De Centrale Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het AOW-pensioen van appellant terecht is herzien en teruggevorderd wegens niet-ingezetenschap in Nederland.