ECLI:NL:CRVB:2020:3153

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
18/5493 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25, negende lid, Wet WIAArt. 64, zevende lid, Wet WIAArt. 3:2 AwbArt. 3:4 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging opschorting WIA-aanvraag wegens loonsanctie werkgever

Appellant viel op 25 november 2015 uit voor zijn werkzaamheden en vroeg op 18 augustus 2017 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde een loonsanctie vast tegen de werkgever vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen en verlengde het loondoorbetalingsverplichtingstijdvak met 52 weken. Hierdoor werd de behandeling van de WIA-aanvraag opgeschort.

Appellant maakte bezwaar tegen de opschorting, stellende dat de loonsanctie niet het gewenste effect had omdat de werkgever weigerachtig bleef zijn loon te betalen. Hij voerde aan dat het UWV discretionair had moeten handelen en het evenredigheidsbeginsel had moeten toepassen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde vast dat de loonsanctie in rechte vaststaat.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA een dwingendrechtelijke bepaling is die geen ruimte laat voor discretionair handelen door het UWV. De situatie van loonweigering door de werkgever vormt geen bijzondere omstandigheid die een afwijking rechtvaardigt. Appellant kan loonbetaling via andere juridische middelen afdwingen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de opschorting van de WIA-aanvraag wegens een rechtsgeldige loonsanctie tegen de werkgever.

Uitspraak

18.5493 WIA

Datum uitspraak: 15 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2018, 17/6973 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 3 november 2020. Namens appellant is verschenen mr. I. Amghar, kantoorgenoot van mr. Shaaban. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 25 november 2015 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als meewerkend voorman voor 40 uur per week bij [naam werkgever B.V.] (werkgever). Op 18 augustus 2017 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In het kader van deze aanvraag heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de re-integratie-inspanningen van de werkgever. Bij besluit van 12 september 2017 heeft het Uwv het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon van de werkgever tijdens ziekte verlengd met 52 weken, tot 21 november 2018 (loonsanctiebesluit), omdat werkgever geen compleet re-integratieverslag heeft ingediend. Deze verlenging is aan de werkgever opgelegd in aansluiting op de wachttijd van 104 weken. Bij besluit van eveneens 12 september 2017 (primair besluit) heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WIA‑uitkering opgeschort omdat aan de werkgever een loonsanctie is opgelegd (opschortingsbesluit) en appellant recht heeft op loon van zijn werkgever.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 1 december 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 september 2017, waarbij zijn WIA-aanvraag is opgeschort, ongegrond verklaard. Het bezwaar van de werkgever tegen de loonsanctie heeft het Uwv eveneens ongegrond verklaard. Werkgever heeft hiertegen geen beroep ingesteld zodat het besluit van 12 september 2017, waarbij een loonsanctie tot 21 november 2018 is opgelegd, in rechte vast staat. Werkgever heeft het Uwv niet om bekorting van het loonsanctie tijdvak verzocht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat werkgever geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de loonsanctie is gehandhaafd. Daarom staat de verplichting van de werkgever om aan appellant tot 21 november 2018 vanwege het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen zijn loon door te betalen in rechte vast. Uit artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA vloeit volgens de rechtbank rechtstreeks voort dat in geval van een loonsanctie de behandeling van een aanvraag op grond van de Wet WIA wordt opgeschort. De rechtbank heeft overwogen dat uit de besluitvorming van het Uwv niet blijkt dat het Uwv bij de toepassing van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA geen kennis heeft genomen van alle relevante feiten. Artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA is volgens de rechtbank imperatief geformuleerd en biedt geen ruimte voor een belangenafweging. Van strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht is volgens de rechtbank geen sprake.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat van opschorting van het in behandeling nemen van de WIA-aanvraag moet worden afgezien omdat de loonsanctie niet het gewenste effect heeft en slechts appellant wordt getroffen. Werkgever is weigerachtig zijn loon te betalen. Een loonvordering is door de kantonrechter toegewezen maar de executie daarvan is niet geslaagd, omdat werkgever onwillig is. Appellant heeft alles geprobeerd, maar niets is gelukt. Het Uwv heeft volgens appellant een discretionaire bevoegdheid om in een specifiek geval, zoals dit, van de Wet WIA af te wijken. Volgens appellant handelt het Uwv in strijd met het evenredigheidsbeginsel door van deze discretionaire bevoegdheid geen gebruik te maken en door de belangen van appellant niet mee te wegen. De wetgever heeft een situatie als deze, waarbij een loonsanctie als prikkel niet werkt, niet voorzien.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter beoordeling is of de rechtbank juist heeft geoordeeld, dat het Uwv terecht de behandeling van de WIA-aanvraag van appellant heeft opgeschort als gevolg van de aan de werkgever opgelegde loonsanctie. Deze loonsanctie staat in rechte vast.
4.2.
In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is, kort samengevat, bepaald dat het Uwv het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen
gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond
onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht (loonsanctie). In artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA is bepaald dat de behandeling van de aanvraag wordt opgeschort indien het Uwv toepassing geeft aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
4.3.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA een dwingendrechtelijke bepaling is die het Uwv niet de door appellant veronderstelde discretionaire bevoegdheid biedt.
4.4.
Dit neemt niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Dat de werkgever van appellant weigerachtig is zijn loon te betalen vormt geen bijzondere omstandigheid als hier bedoeld. Van een niet verdisconteerde situatie is geen sprake. Het systeem van de Wet WIA houdt immers nu juist in dat in een geval als dit een betalingsverplichting rust op de werkgever en dat het Uwv daarom nog niet in beeld komt. Appellant heeft juridische middelen om deze loonbetaling af te dwingen. Dat deze middelen in dit geval nog niet hebben geleid tot betaling, kan het voorgaande niet anders maken.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) A.M.M. Chevalier