Uitspraak
OVERWEGINGEN
28 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3519.
27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3797.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen vanaf april 2006 algemene bijstand naast hun ouderdomspensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) vorderde bijstand terug over april tot december 2006 wegens een nabetaling van pensioen die betrekking had op die periode. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de Svb bevoegd was tot terugvordering en dat het pensioeninkomen niet als vermogen maar als inkomen moet worden beschouwd, waardoor geen rekening werd gehouden met vrij te laten vermogen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de Svb niet bevoegd was en dat het eigen vermogen in aanmerking genomen moest worden. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de Svb het bevoegde bestuursorgaan is op grond van de Participatiewet en dat pensioeninkomsten als inkomen moeten worden toegerekend aan de betreffende periode, niet als vermogen.
De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.L. Boxum op 1 december 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand door de Sociale Verzekeringsbank wegens pensioeninkomen.