ECLI:NL:CRVB:2020:3259

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
18/2237 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 13 AOW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schuldig nalatigverklaring niet betalen AOW-premies 2012

Appellante werd door de Sociale verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig verklaard wegens het niet betalen van de premies volksverzekeringen over 2012, met name de AOW-premie van €4.132,-. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en bevestigde deze schuldig nalatigverklaring.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar ziekte, het staken van haar horeca-onderneming in 2013 en de afwikkeling van haar echtscheiding bijzondere omstandigheden vormden die het niet betalen niet aan haar konden worden toegerekend. Ook stelde zij dat haar inkomen in 2014 en 2015 onder de bijstandsnorm lag.

De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellante lag om aan te tonen dat het niet betalen niet aan haar kon worden toegerekend. De aangevoerde omstandigheden vielen onder het normale ondernemersrisico en waren onvoldoende om de schuldig nalatigverklaring te weerleggen. De Raad concludeerde dat appellante geen bijzondere omstandigheden had aangetoond en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 11 december 2020 in het openbaar gedaan door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schuldig nalatigverklaring voor het niet betalen van de AOW-premies over 2012 wordt bevestigd.

Uitspraak

18.2237 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2018, 17/2004 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 11 december 2020
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Kuster, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuster. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Svb heeft van de Belastingdienst bericht ontvangen dat appellante over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een bedrag van € 11.611,- aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet heeft betaald. De Svb heeft appellante bij brief van 1 september 2016 geïnformeerd over deze van de Belastingdienst verkregen informatie en appellante meegedeeld hoe zij kan voorkomen schuldig nalatig te worden verklaard. Appellante heeft niet op deze brief gereageerd.
1.2.
Bij besluit van 30 september 2016 heeft de Svb appellante over voornoemde periode 100% schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van de premie voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) van € 4.132,-.
1.3.
Bij besluit van 10 februari 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 september 2016 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor het niet betalen van de belastingaanslag over 2012 appellante niet kan worden toegerekend. Bij deze beoordeling is de periode in aanmerking genomen die ligt tussen 30 december 2014, zijnde de datum van de aanslag inkomstenbelasting 2012 en 31 augustus 2016, zijnde datum waarop de Svb het bericht van de Belastingdienst heeft ontvangen. De door appellante aangevoerde omstandigheden, zoals de financiële afspraken die voortvloeiden uit het echtscheidingsconvenant met haar ex-echtgenoot, het niet kunnen betalen van rekeningen en het gegeven dat haar ex-echtgenoot niet meewerkte aan de verkoop van het bedrijfspand, komen volledig voor risico van appellante zelf. Voorts is niet gebleken dat appellante heeft geprobeerd een betalingsregeling te treffen met de Belastingdienst. De ziekte van appellante en de economische crisis behoren tot het normaal te achten ondernemersrisico en voor de gevolgen van haar ziekte had appellante een arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen afsluiten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat ook als wordt geabstraheerd van de afspraken in het echtscheidingsconvenant, de overige door appellante geschetste feiten en omstandigheden behoren tot het normale (ondernemers)risico. Die omstandigheden leiden dus niet tot de conclusie dat haar geen verwijt treft ten aanzien van het niet betalen van de premies volksverzekeringen over 2012.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar ziekte en de gevolgen die dat met zich bracht, zoals het staken van de activiteiten als horeca-ondernemer eind 2013, tot het normale ondernemersrisico behoort waartegen zij zich had kunnen verzekeren. Ook de afwikkeling van de boedelverdeling na de echtscheiding is een omstandigheid die niet voorzienbaar was. Deze omstandigheden vallen volgens appellante onder de omstandigheden zoals opgenomen in de Beleidsregels SVB (SB1050) om niet over te gaan tot schuldig nalatigverklaring. Ter zitting heeft appellante nog naar voren gebracht dat haar inkomen in het jaar 2014 en gedeeltelijk 2015 onder de bijstandsnorm zat omdat er beslag op haar bijstandsuitkering was gelegd en dat zij voor een schuldhulpverleningstraject niet in aanmerking is gekomen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het besluit van de Svb in stand heeft gelaten waarbij appellante over het jaar 2012 schuldig nalatig is verklaard ter zake van het niet betalen van de AOW-premie. De vraag die moet worden beantwoord is of er omstandigheden zijn op grond waarvan het niet betalen van de premies volksverzekeringen niet aan appellante kan worden verweten.
4.2.
De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 61 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit artikel bepaalt, voor zover van belang, dat indien een premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, de Svb beslist dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van Pro de AOW, behoudens voor zover de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden. Dit betekent dat de bewijslast om dit aan te tonen op appellante rust.
4.3.
Bij de beoordeling of er omstandigheden zijn op grond waarvan het niet betalen de betrokkene niet kan worden verweten, beoordeelt de Svb volgens de door hem gehanteerde beleidsregel SB1050, of sprake is van een niet toerekenbaar niet betalen. Financiële en sociale aspecten spelen daarbij een rol en verder kunnen omstandigheden als ernstige verslaving, detentie, schuldsanering en faillissement van de betrokkene of een inkomen beneden de bijstandsnorm aanleiding vormen om niet tot schuldig nalatigverklaring over te gaan. Blijkt niet van bijzondere omstandigheden waarom betrokkene niet heeft betaald, dan vindt schuldig nalatigverklaring plaats. Van bijzondere omstandigheden is in ieder geval geen sprake als het niet betalen van de verschuldigde premie het gevolg is van de terugvordering van een voorlopige teruggaaf, het handelen of nalaten van een gemachtigde, of de wijze van bedrijfsvoering. De Raad acht dit geen onjuiste uitleg van het begrip toerekenbaarheid.
4.4.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het niet betalen van de verschuldigde premies volksverzekeringen over 2012 haar niet verweten kan worden. Hierbij wordt van belang geacht dat niet is gebleken dat appellante niet in staat was om in ieder geval een deel van haar inkomen in 2012 te reserveren voor de te verwachten aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over dat jaar. Dat appellante haar inkomsten voor onderhoud van het pand en vaste lasten heeft moeten gebruiken, doet hier niet aan af. Gemaakte zakelijke en persoonlijke keuzes in dat verband, komen voor haar rekening en risico. Wat betreft de periode daarna heeft appellante gewezen op de voortdurende omzetdaling, haar gezondheidsklachten op grond waarvan zij genoodzaakt was haar onderneming eind 2013 te staken en het geringe inkomen dat zij daarna had. Hoewel de Raad onderkent dat appellante het in de hier relevante periode financieel en persoonlijk niet makkelijk heeft gehad, behoren de omstandigheden die zij naar voren heeft gebracht tot het normale ondernemersrisico, waarbij ter afwenteling van een deel van dit risico een arbeidsongeschiktheidsverzekering tot de mogelijkheden behoorde. Ter zitting is verder gebleken dat appellante slechts een heel klein deel in de periode tussen eind 2014 en september 2016 een inkomen had onder bijstandsniveau zodat ook hierin geen bijzondere omstandigheid zit om het niet betalen van de premie niet aan haar te kunnen toerekenen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2020.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) E.M. Welling