ECLI:NL:CRVB:2020:3259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schuldig nalatigverklaring niet betalen AOW-premies 2012
Appellante werd door de Sociale verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig verklaard wegens het niet betalen van de premies volksverzekeringen over 2012, met name de AOW-premie van €4.132,-. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en bevestigde deze schuldig nalatigverklaring.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar ziekte, het staken van haar horeca-onderneming in 2013 en de afwikkeling van haar echtscheiding bijzondere omstandigheden vormden die het niet betalen niet aan haar konden worden toegerekend. Ook stelde zij dat haar inkomen in 2014 en 2015 onder de bijstandsnorm lag.
De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellante lag om aan te tonen dat het niet betalen niet aan haar kon worden toegerekend. De aangevoerde omstandigheden vielen onder het normale ondernemersrisico en waren onvoldoende om de schuldig nalatigverklaring te weerleggen. De Raad concludeerde dat appellante geen bijzondere omstandigheden had aangetoond en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 11 december 2020 in het openbaar gedaan door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schuldig nalatigverklaring voor het niet betalen van de AOW-premies over 2012 wordt bevestigd.