ECLI:NL:CRVB:2020:3337

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
23 december 2020
Zaaknummer
19-4393 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 58 PWArt. 59 PWArt. 60a PW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening dwangsom met openstaande vordering toegestaan ondanks betalingsregeling

Appellant was door het college een dwangsom van €1.260,- opgelegd, welke met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet werd verrekend met een openstaande vordering van €8.655,97. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de verrekening onrechtmatig was, mede omdat hij zich aan een betalingsregeling hield, en dat het college een nieuwe draagkrachtberekening had moeten maken.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het college op grond van de Participatiewet bevoegd is om een dwangsom te verrekenen met een openstaande vordering, ook als de belanghebbende zich aan een betalingsregeling houdt. Dit gebruik van de bevoegdheid is redelijk en niet onrechtmatig. Daarnaast faalde het verweer dat een nieuwe draagkrachtberekening noodzakelijk was, omdat de dwangsom niet met de bijstand, maar met de openstaande vordering werd verrekend, waardoor geen wijziging in draagkracht optrad.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzitter E.C.R. Schut op 1 december 2020.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de dwangsom met de openstaande vordering mag verrekenen en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

19 4393 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 1 december 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 augustus 2019, 19/473 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 18 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 december 2018, heeft het college aan appellant de maximale dwangsom van € 1.260,- toegekend en dit bedrag met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) verrekend met de in juni 2018 openstaande (restant)vordering van het college op appellant van € 8.655,97.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is de verrekening van de dwangsom met de openstaande vordering op appellant.
4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW een vordering die een belanghebbende op hem heeft, kan verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en Pro 59 van de PW. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraken van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3294, 3296 en 3303) is het verrekenen van een dwangsom met een openstaande vordering mogelijk. Dat appellant zich steeds aan de betalingsregeling heeft gehouden, is geen reden waarom het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft kunnen maken.
4.3.
De beroepsgrond dat het college een nieuwe draagkrachtberekening moet maken slaagt niet. Nu de dwangsom niet is verrekend met de bijstand van appellant maar met de openstaande vordering, die daardoor is verlaagd, is geen sprake van een wijziging in draagkracht. De betalingsregeling ligt hier ook niet voor.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter, in tegenwoordigheid van
A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
1 december 2020.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) A.A.H. Ibrahim