ECLI:NL:CRVB:2020:3339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten in civiele procedure bevestigd met proceskostenveroordeling college
Appellant, ontvanger van een ouderdomspensioen en aanvullend pensioen, vroeg bijzondere bijstand aan voor proceskosten die voortvloeiden uit een civiele procedure tegen zijn verhuurder. De aanvraag werd door het college afgewezen omdat bijzondere bijstand niet wordt verleend voor schulden, ook al was appellant niet te verwijten dat hij schulden had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat proceskosten als schulden worden aangemerkt. Appellant stelde in hoger beroep dat het college niet volledig op zijn aanvraag had beslist en dat hem geen verwijt kon worden gemaakt voor de schulden.
De Raad oordeelde dat het college inderdaad niet volledig had beslist en dat dit een gebrek in het besluit vormde. De rechtbank had dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro moeten passeren, omdat de uitkomst van het besluit ook zonder het gebrek gelijk zou zijn gebleven. De Raad bevestigde de afwijzing van de bijzondere bijstand, maar veroordeelde het college in de proceskosten van appellant wegens het besluitvormingsgebrek.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor proceskosten wordt bevestigd, met een proceskostenveroordeling van het college.