Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:3393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2020
Publicatiedatum
28 december 2020
Zaaknummer
18/4077 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, voormalig magazijnbediende, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen, waaronder fibromyalgie, reeds in de FML waren meegenomen. Ook vond de rechtbank dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en vroeg om inschakeling van een deskundige, stellende dat zijn beperkingen onderschat waren. De Raad verwierp dit, omdat de nieuwe medische stukken te laat waren ingediend en onvoldoende gewicht hadden. De Raad vond geen aanleiding tot twijfel over de medische beoordeling of tot het inschakelen van een deskundige.

De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellant de geselecteerde functies kon verrichten en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

18.4077 WIA

Datum uitspraak: 29 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juni 2018, 17/6380 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.G. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft meermalen nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 17 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roethof en vergezeld door Y. Akaya (tolk). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam als magazijnbediende via een uitzendbureau. Op 10 maart 2015 heeft hij zich ziek gemeld met klachten aan de luchtwegen en buik en psychische klachten.
1.2.
In verband met een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft appellant op 25 januari 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft de belastbaarheid van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 maart 2017. Een arbeidsdeskundige heeft appellant in staat geacht de functies van machinaal metaalbewerker, wikkelaar en medewerker tuinbouw te verrichten. Berekend is dat appellant per 7 maart 2017 30,64% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 31 maart 2017 de aanvraag van appellant om een WIA-uitkering per 7 maart 2017 afgewezen, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 29 september 2017 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 11 oktober 2017 een rapport opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien tot het wijzigen van de medische grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functie van medewerker tuinbouw niet langer geschikt geacht voor appellant en in de plaats daarvan de functie medewerker intern transport geselecteerd. De overige twee functies zijn gehandhaafd. Berekend is dat appellant 0% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft daarna het bezwaar van appellant bij besluit van
16 oktober 2017 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen op overtuigende wijze toegelicht in hoeverre appellant belast kan worden met werk. Dat nu de diagnose fibromyalgie is gesteld, brengt volgens de rechtbank niet mee dat er andere of aanvullende beperkingen voor arbeid moeten worden aangenomen. In de FML was immers al rekening gehouden met een veelheid aan klachten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat ook de overige informatie uit de behandelend sector geen aanleiding geeft om de FML aan te passen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de medische conclusies of om een deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de aangenomen beperkingen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt van bezwaar en beroep gehandhaafd. Hij houdt staande dat zijn beperkingen uit onder meer fibromyalgie, nekhernia en diabetes mellitus zijn onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst appellant naar de ingebrachte medische informatie van de behandelend artsen. Hij heeft verzocht om inschakeling van een deskundige. Appellant houdt verder staande dat hij door zijn beperkingen niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting is vastgesteld dat appellant in hoger beroep op 9 november 2020 via mailberichten een grote hoeveelheid medische informatie heeft ingezonden. Deze stukken zijn binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn van tien dagen ingediend. De gemachtigde van het Uwv heeft desgevraagd verklaard deze stukken niet tijdig te hebben gezien en daar niet inhoudelijk op te kunnen reageren. De goede procesorde verzet zich ertegen dat de stukken bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken. De stukken worden daarom buiten beschouwing gelaten.
4.2.
De gronden van appellant in hoger beroep zijn niet anders dan die hij in beroep heeft ingediend. Deze vormen geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.2.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld en overtuigend gemotiveerd dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen belastbaarheid van appellante. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven.
4.2.2.
Aan de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie van de behandelend internist van 10 januari 2019, met betrekking tot diabetes mellitus, en de Turkse arts van 3 november 2020, met betrekking tot een nekhernia, kan niet het gewicht worden ontleend dat hij wenst. Allereerst wordt overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat bij de beoordeling al rekening is gehouden met klachten van diabetes mellitus. De voornoemde informatie van de internist, overigens daterend van ruim na de datum in geding, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat de mate van de beperkingen die voortvloeien uit de diabetes mellitus ernstiger is dan waarmee door de verzekeringsartsen al rekening is gehouden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv de beperkingen uit diabetes mellitus heeft onderschat. Ten aanzien van de nekhernia wordt het Uwv gevolgd in het standpunt ter zitting dat de diagnose in november 2020 is gesteld, daarmee dateert van ruim na de datum in geding en de ingebrachte medische informatie geen aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat hiervan reeds rond de datum in geding al sprake was. Dat dit wel het geval was, is door appellant niet onderbouwd met objectieve medische stukken.
4.2.3.
Voor het inschakelen van een deskundige bestaat geen aanleiding, omdat er onvoldoende twijfel bestaat over de juistheid van de door de verzekeringsartsen voor appellant per deze datum vastgestelde beperkingen.
4.3.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft
gemotiveerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal
worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van
H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2020.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) H. Spaargaren