ECLI:NL:CRVB:2020:3442

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2020
Publicatiedatum
29 december 2020
Zaaknummer
18/4515 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbBesluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat beëindiging verplichte AOW-verzekering per 1 januari 2000 rechtmatig is

Appellante, die in 1995 naar Frankrijk emigreerde, was verzekerd voor de AOW tot 31 december 1999. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat zij vanaf 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd was voor de AOW vanwege het vervallen van artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999. Appellante werd hierover geïnformeerd door het GAK en de Svb, onder meer over de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering, die zij uiteindelijk afwees.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij tijdig en voldoende duidelijk was geïnformeerd over de wetswijzigingen en de gevolgen voor haar AOW-verzekering. De brief van het GAK uit 1995 kon niet worden opgevat als een toezegging voor onbepaalde tijd.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet op de hoogte was gesteld van de wetswijzigingen en dat zij erop mocht vertrouwen dat haar AOW-verzekering zou blijven voortduren. De Raad oordeelde dat de informatie steeds onder voorbehoud van wijziging was verstrekt en dat appellante op meerdere momenten over de nieuwe regels en financiële gevolgen was geïnformeerd.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en er zijn geen bijzondere omstandigheden die vereisen dat de Svb appellante alsnog als AOW-verzekerde moet beschouwen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de beëindiging van haar verplichte AOW-verzekering per 1 januari 2000 wordt bevestigd.

Uitspraak

18.4515 AOW

Datum uitspraak: 24 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 juli 2018, 17/5769 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1
Appellante, geboren [in] 1952, is in 1995 naar Frankrijk geëmigreerd met behoud van haar uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2.
Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de Svb aan appellante een pensioenoverzicht verstrekt waarin is vermeld dat zij in de periode van 1 juni 1974 tot en met 31 december 1999 verzekerd is geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tot en met 15 juni 2017 heeft appellante 52% van het AOW-pensioen opgebouwd. Vanaf 13 november 2018 heeft zij recht op ouderdomspensioen ingevolge de AOW.
1.3.
Bij besluit van 6 september 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante als gevolg van het vervallen van artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) vanaf 1 januari 2000 niet meer verzekerd is geweest voor de AOW. Appellante is in 1999 door het GAK geïnformeerd over het feit dat zij met ingang van 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd zou zijn voor de AOW. Appellante is daarbij gewezen op de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren voor de AOW. Vervolgens heeft correspondentie plaatsgevonden tussen appellante en de Svb over vrijwillige verzekering. Bij brief van 4 november 2001 heeft appellante de Svb gemeld dat zij verder afziet van deelname aan vrijwillige verzekering.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Svb heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank tijdig en voldoende duidelijk op de hoogte gesteld van de nieuwe regels en zij is in de gelegenheid gesteld om tegen betaling een vrijwillige verzekering af te sluiten, waarvan zij heeft afgezien om haar moverende redenen. De inhoud van de brief van het GAK van 17 juli 1995, waarop appellante zich beroept, is achterhaald door nieuwe wetgeving. De mededeling in die brief dat “de opbouw van uw AOW-pensioen gewoon doorloopt” kan volgens de rechtbank niet gelden als een toezegging voor onbepaalde tijd en zij kan daaraan niet het vertrouwen ontlenen dat haar verzekering voor de AOW, ondanks de nieuwe wetgeving, zou blijven doorgaan.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep ontkend dat zij op de hoogte is gesteld van wetswijzigingen per 1 januari 2000 en van het feit dat de AOW-verzekering slechts door middel van een vrijwillige verzekering voortgezet kon worden. Appellante was op grond van de brief van het GAK van 17 juli 1995 in de veronderstelling dat zij AOW-verzekerd bleef en dat de correspondentie met de Svb een aanvullende ouderdomsverzekering betrof. Zij heeft hiervan afgezien, omdat ze de kosten te hoog vond. Appellante weet niet hoe zij in de toekomst moet leven van het ouderdomspensioen dat zij zal ontvangen.
3.2.
De Svb heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante, als gevolg van het vervallen van artikel 26 van Pro KB 746 per 1 januari 2000, vanaf die datum niet langer verzekerd was voor de AOW. De Raad begrijpt dat appellante vindt dat de Svb haar vanaf 1 januari 2000 toch, in strijd met de wet, verzekerd moet achten voor de AOW, omdat zij erop mocht vertrouwen AOW-verzekerd te blijven en niet tijdig van de wetswijziging op de hoogte is gesteld, en omdat zij niet zal kunnen rondkomen van het ouderdomspensioen dat haar in het vooruitzicht is gesteld.
4.2.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van het GAK van 17 juli 1995 niet kan worden beschouwd als een toezegging voor onbepaalde tijd aan appellante dat zij verzekerd zal blijven voor de AOW. Appellante kon begrijpen dat deze informatie werd verstrekt bij de toenmalige stand van de regelgeving en onder voorbehoud van wijziging daarvan. Reeds hierom faalt haar beroep op het vertrouwensbeginsel. Verder is appellante eind 1999 door het GAK op de hoogte gesteld van de nieuwe regels per 1 januari 2000 en van de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren. Bij brief van 23 oktober 2000 heeft de Svb aan appellante bericht dat zij zonder vrijwillige verzekering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht heeft op 48% van het volledige AOW-pensioen, en bij vrijwillige verzekering tot haar 65e verjaardag op 84%. Appellante is dus op meerdere momenten op de hoogte gesteld van de beëindiging van de verplichte verzekering voor de AOW en de financiële gevolgen daarvan. Dat zij stelt dit anders te hebben begrepen en dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering kan hieraan niet afdoen en dient voor haar rekening te blijven. Van zo bijzondere omstandigheden dat de Svb appellante vanaf 1 januari 2000 in strijd met de wettelijke bepalingen als AOW-verzekerde moet beschouwen, is alleen al hierom geen sprake.
4.3.
Wat is overwogen in 4.1 en 4.2 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2020.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P. Boer