ECLI:NL:CRVB:2020:3442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat beëindiging verplichte AOW-verzekering per 1 januari 2000 rechtmatig is
Appellante, die in 1995 naar Frankrijk emigreerde, was verzekerd voor de AOW tot 31 december 1999. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat zij vanaf 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd was voor de AOW vanwege het vervallen van artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999. Appellante werd hierover geïnformeerd door het GAK en de Svb, onder meer over de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering, die zij uiteindelijk afwees.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij tijdig en voldoende duidelijk was geïnformeerd over de wetswijzigingen en de gevolgen voor haar AOW-verzekering. De brief van het GAK uit 1995 kon niet worden opgevat als een toezegging voor onbepaalde tijd.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet op de hoogte was gesteld van de wetswijzigingen en dat zij erop mocht vertrouwen dat haar AOW-verzekering zou blijven voortduren. De Raad oordeelde dat de informatie steeds onder voorbehoud van wijziging was verstrekt en dat appellante op meerdere momenten over de nieuwe regels en financiële gevolgen was geïnformeerd.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en er zijn geen bijzondere omstandigheden die vereisen dat de Svb appellante alsnog als AOW-verzekerde moet beschouwen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de beëindiging van haar verplichte AOW-verzekering per 1 januari 2000 wordt bevestigd.