ECLI:NL:CRVB:2020:3483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als taxichauffeur, meldde zich ziek op 13 augustus 2015 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer door toegenomen klachten en visusproblemen. Zij overlegde medische rapporten van latere datum ter onderbouwing. De Raad oordeelt echter dat deze nieuwe informatie betrekking heeft op een periode na de datum van beoordeling en dat de verzekeringsarts de beperkingen op juiste en inzichtelijke wijze heeft meegenomen.
De Raad stelt vast dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd is uitgevoerd, dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd medisch geschikt zijn en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 10 augustus 2017.