ECLI:NL:CRVB:2020:3512

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2020
Publicatiedatum
6 januari 2021
Zaaknummer
18/6075 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24, eerste lid, AKWArt. 24, vijfde lid, AKW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering kinderbijslag derde kwartaal 2017 bevestigd door Centrale Raad van Beroep

Betrokkene ontving kinderbijslag voor haar kinderen, maar de ex-echtgenoot vroeg kinderbijslag aan voor twee kinderen die vanaf juni 2017 bij hem woonden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij drie besluiten van 11 december 2017 vast dat betrokkene geen kinderbijslag meer kreeg vanaf het vierde kwartaal 2017 en herzag de kinderbijslag over het derde kwartaal 2017. Tevens werd de onverschuldigd betaalde kinderbijslag over dat kwartaal teruggevorderd.

De rechtbank Gelderland vernietigde het terugvorderingsbesluit over het derde kwartaal 2017 omdat zij oordeelde dat geen herzieningsbesluit aan de terugvordering was voorafgegaan. De Svb ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat het eerste besluit van 11 december 2017 wel degelijk een herzieningsbesluit betrof.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het eerste besluit, gelezen in samenhang met de andere besluiten, een herziening van de kinderbijslag over het derde kwartaal 2017 inhield. Betrokkene had dit kunnen begrijpen ondanks een kennelijke verschrijving in het besluit. Omdat betrokkene tegen dit besluit geen bezwaar had gemaakt, was het in rechte vast komen te staan.

De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van terugvordering en verklaarde het hoger beroep van de Svb gegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de Sociale Verzekeringsbank wordt gegrond verklaard en de terugvordering van kinderbijslag over het derde kwartaal 2017 bevestigd.

Uitspraak

18.6075 AKW

Datum uitspraak: 24 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
18 oktober 2018, 18/1035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2020
.De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg
.Namens betrokkene is mr. T.P. Boer verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene en haar ex-echtgenoot hebben samen vier kinderen. Betrokkene heeft voor deze kinderen kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen. Op 14 juli 2017 heeft de ex-echtgenoot van betrokkene kinderbijslag aangevraagd voor de kinderen [A.] en [B.] omdat deze vanaf 21 juni 2017 bij hem wonen. Vervolgens heeft de Svb bij betrokkene informatie ingewonnen over de feitelijke woonsituatie van [A.] en [B.]. Betrokkene heeft tot en met het derde kwartaal van 2017 kinderbijslag ontvangen voor [A.] en [B.].
1.2.
Bij besluit van 11 december 2017 (besluit 1) heeft de Svb de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2017 (gewijzigd) vastgesteld. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat betrokkene voor [A.] en [B.] geen kinderbijslag meer krijgt vanaf het vierde kwartaal van 2017, omdat de kinderen vanaf 23 juni 2017 bij de andere ouder wonen en de ouder bij wie het kind woont de kinderbijslag betaald krijgt. Als bijlage bij het besluit is een overzicht gevoegd van de te ontvangen kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2017.
1.3.
Bij separaat besluit van 11 december 2017 (besluit 2) heeft de Svb de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2017 vastgesteld. Aan dit besluit heeft de Svb eveneens ten grondslag gelegd dat betrokkene voor [A.] en [B.] geen kinderbijslag meer krijgt vanaf het vierde kwartaal van 2017, omdat de kinderen vanaf 23 juni 2017 bij de andere ouder wonen en de ouder bij wie het kind woont de kinderbijslag betaald krijgt. Als bijlage bij het besluit is een overzicht gevoegd van de te ontvangen kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2017.
1.4.
Bij besluit van 11 december 2017 (besluit 3) heeft de Svb de over het derde kwartaal van 2017 onverschuldigd aan betrokkene betaalde kinderbijslag voor [A.] en [B.] van haar teruggevorderd.
1.5.
Bij het bestreden besluit van 20 februari 2018 heeft de Svb het bezwaar voor zover gericht tegen de herzieningsbeslissing van 11 december 2017 niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen de terugvorderingsbeslissing ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de terugvordering over het derde kwartaal van 2017; dat besluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. De rechtbank heeft daartoe vastgesteld dat het terugvorderingsbesluit niet vooraf is gegaan door een besluit waarbij het recht op kinderbijslag over het derde kwartaal is herzien, zoals ten aanzien van het vierde kwartaal wel is gebeurd. Nu niet gebleken is dat de Svb het recht op kinderbijslag voor [A.] en [B.] heeft herzien vanaf het derde kwartaal van 2017 en evenmin is gebleken dat de kinderbijslag anderszins ten onrechte is betaald, is ook geen sprake van onverschuldigde betaling aan betrokkene over dit kwartaal. Dit betekent dat de Svb niet tot terugvordering van de kinderbijslag voor [A.] en [B.] over het derde kwartaal van 2017 kon overgaan.
3.1.
In hoger beroep heeft de Svb aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat aan het terugvorderingsbesluit geen herzieningsbesluit is vooraf gegaan. Er is tot en met het derde kwartaal 2017 kinderbijslag betaald. Besluit 1 betreft het herzieningsbesluit over het derde kwartaal van 2017. Besluit 1 gelezen in combinatie met besluit 3 is de herziening en de terugvordering over het derde kwartaal van 2017.
3.2.
Betrokkene heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met de Svb concludeert de Raad dat aan het besluit tot terugvordering over het derde kwartaal van 2017 een herzieningsbesluit over dat kwartaal is vooraf gegaan. Bij de gedingstukkenbevinden zich drie separate besluiten die op 11 december 2017 zijn gedateerd. Besluit 1 omvat de gewijzigde vaststelling van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2017. Weliswaar is niet direct duidelijk dat besluit 1 ziet op het derde kwartaal van 2017, omdat daarin is vermeld dat betrokkene voor [A.] en [B.] geen kinderbijslag meer krijgt vanaf het vierde kwartaal van 2017. Maar in dat besluit is evenzeer vermeld dat betrokkene vanaf het derde kwartaal van 2017 € 530,12 kinderbijslag per kwartaal krijgt en dat voor haar andere kinderen de kinderbijslag niet verandert. Daarbij komt dat als bijlage bij besluit 1 een overzicht is gevoegd van de te ontvangen kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2017 en [A.] en [B.] op dit overzicht niet (meer) vermeld worden. Gelet hierop had betrokkene kunnen begrijpen dat het ten aanzien van de vermelding van het vierde kwartaal ging om een kennelijke verschrijving en dat besluit 1 betrekking had op een herziening van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2017. Dit geldt temeer als dit besluit wordt gelezen in samenhang met de eveneens op 11 december 2017 gedateerde besluiten 2 en 3. Nu betrokkene tegen besluit 1 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is dit besluit in rechte komen vast te staan.
4.2.
Nu uit 4.1 volgt dat de Svb het recht op de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2017 heeft herzien, volgt hier ook uit dat ten onrechte kinderbijslag is betaald. De Svb was gelet op artikel 24, eerste lid, van de AKW gehouden om de over dat kwartaal onverschuldigd betaalde kinderbijslag terug te vorderen. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vijfde lid van artikel 24 van Pro de AKW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0391) liggen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor de verzekerde heeft. Het gaat daarbij om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval sprake is van dringende redenen als hier bedoeld. Niet is gesteld noch is gebleken dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van de Svb slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M. Buur