ECLI:NL:CRVB:2020:359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig assemblagemedewerker, vroeg op 31 juli 2016 een WIA-uitkering aan na ziekmelding wegens gewrichtsklachten. Het UWV weigerde de uitkering per besluit van 28 november 2016 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV op 2 maart 2017. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 september 2016 adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen en wilde zij haar standpunt met medische gegevens onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante haar standpunt onvoldoende had onderbouwd en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen juist waren vastgesteld en de geselecteerde functies medisch geschikt zijn.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.