ECLI:NL:CRVB:2020:36

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2020
Publicatiedatum
9 januari 2020
Zaaknummer
19/1418 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens onterecht niet-ontvankelijkheid hoger beroep door griffierechtbetaling

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar de Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Appellant stelde verzet in tegen deze beslissing. Uit het verzet bleek dat het griffierecht op 27 juni 2019 wel was voldaan, maar door een administratieve fout op 1 juli 2019 was teruggestort.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet in verzuim was geweest en verklaarde het verzet gegrond. Hierdoor vervalt de eerdere uitspraak van 15 oktober 2019 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Daarnaast veroordeelde de Raad het college van burgemeester en wethouders van Lelystad tot betaling van de proceskosten van appellant voor het verzet, vastgesteld op € 262,50.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. Bangma en griffier J.A. Achterberg op 9 januari 2020.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 januari 2020
19/1418 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2019, 18/2287 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 oktober 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft mr. R.H. Bouwman, advocaat, verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 15 oktober 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet is gebleken dat appellant niet in verzuim is geweest en het griffierecht op 27 juni 2019 heeft voldaan. Door een administratieve fout is het griffierecht op 1 juli 2019 teruggestort.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2019 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van het verzet van appellant tot een bedrag van € 262,50 voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
verklaart het verzet gegrond;
veroordeelt het college in de proceskosten van het verzet van appellant tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) J.A. Achterberg