ECLI:NL:CRVB:2020:378

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2020
Publicatiedatum
20 februari 2020
Zaaknummer
18-2003 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 derde lid aanhef en onder b AOW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening ouderdomspensioen wegens geen duurzaam gescheiden leven

Appellante ontving een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, terwijl de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vermoedde dat zij en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden. Na onderzoek, waaronder ingevulde formulieren en rapportages, besloot de Svb het pensioen te herzien naar dat van een gehuwde pensioengerechtigde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Dit oordeel was gebaseerd op financiële banden, gezamenlijk eigendom van woningen, en regelmatige contactmomenten tussen appellante en haar echtgenoot, ondanks het feit dat zij niet samenwoonden en de echtgenoot een nieuwe partner had.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd en de aangevallen uitspraak bekrachtigd. De Raad verwijst naar eerdere rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven en concludeert dat de feiten en omstandigheden geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pensioen blijft herzien naar het gehuwde tarief.

Uitspraak

18.2003 AOW-PV

Datum uitspraak: 13 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2018, 17/5263 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: mr. H. Benek, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: E.D. de Jong
Ter zitting zijn verschenen: mr. M. Bonarius en [X.] voor appellante, en mr. G.E. Eind voor de Svb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Appellante was ten tijde hier van belang gehuwd met [X.]. Zij ontving laatstelijk een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hierbij ging de Svb ervan uit dat bij appellante sprake was van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. De Svb heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het ouderdomspensioen van appellante. In dat kader hebben appellante en [X.] onder meer het formulier “Onderzoek DGL” ingevuld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 februari 2017 over [X.] en een rapport van 2 maart 2017 over appellante. De resultaten van het onderzoek zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 13 april 2017 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van april 2017 te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 19 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 13 april 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat uit het onderzoek is gebleken dat bij appellante en [X.] niet van duurzaam gescheiden leven kan worden uitgegaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat bij appellante en [X.] sprake is van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft hierbij het volgende van belang geacht. Appellante heeft op het door haar ingevulde “formulier DGL” gemeld dat zij en [X.] samen eigenaar zijn van de woning waar appellante in woont, dat zij samen een B.V. hebben, dat [X.] met geld uit de B.V. de kosten van de woning betaalt en dat appellante daarnaast uit de B.V. een maandelijks bedrag ontvangt. Appellante en [X.] zien elkaar op donderdagen als appellante bij hun zoon oppast en bij thuiswedstrijden van Feyenoord. [X.] heeft de sleutel van de woning van appellante. Appellante heeft voorts aangegeven in het testament van [X.] te staan in verband met de B.V. [X.] heeft de vragen op het door hem ingevulde “formulier DGL” op gelijke wijze beantwoord en voorts gemeld dat appellante en hij samen eigenaar zijn van een woning in Spanje. De rechtbank oordeelt dat de bestaande (financiële) banden tussen appellante en [X.] maken dat niet gezegd kan worden dat sprake is van een verbreking van de echtelijke samenleving. De omstandigheden dat appellante en [X.] niet samenwonen en dat [X.] een vriendin heeft waarmee hij samenwoont, leiden niet tot een ander oordeel omdat beide omstandigheden ook samen bezien niet van doorslaggevende betekenis zijn voor de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is wel sprake van duurzaam gescheiden leven.
4.1.
Voor zijn vaste rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3017, en ECLI:NL:CRVB:2019:3018.
4.2.
De rechtbank heeft op basis van de in de aangevallen uitspraak genoemde feiten en omstandigheden met juistheid geoordeeld dat bij appellante en [X.] ten tijde hier van belang geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderschrijft dit oordeel en de overwegingen over de gronden waarop dit oordeel is gebaseerd, volledig. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.D. de Jong (getekend) H. Benek
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.