ECLI:NL:CRVB:2020:397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als allround medewerker magazijn en beveiliger en meldde zich ziek na een aanrijding. Het UWV kende hem in 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 67,4%. Na een herbeoordeling in 2016 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, maar wel belastbaar met beperkingen. Een arbeidsdeskundige berekende dat appellant nog 33,98% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
Het UWV beëindigde daarom de WGA-uitkering per 9 april 2016. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit na zorgvuldige beoordeling van het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met een rapport van een andere verzekeringsarts. De Raad oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat het rapport van appellant geen materieel andere uitkomst gaf. Ook als de functie magazijn/expeditie verviel, bleef de arbeidsongeschiktheid onder de 35%.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.