Uitspraak
19.849 AW-PV
BESLISSING
29 september 2017;
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een politieambtenaar, werd verweten dat hij ondanks meerdere toezeggingen en aansporingen nagelaten heeft aangifte te doen of aan te vullen van bedreiging die hij als privépersoon had ervaren. Dit leidde ertoe dat het openbaar ministerie de zaak moest seponeren omdat de aangehouden persoon ten onrechte als verdachte werd aangemerkt.
De Raad stelt vast dat het nalaten van appellant als plichtsverzuim moet worden aangemerkt, ondanks privéproblemen. De Raad oordeelt echter dat dit plichtsverzuim onvoldoende ernstig is om de eerder opgelegde zware disciplinaire straf van een tijdelijke verlaging van de bezoldiging te rechtvaardigen.
De Raad legt daarom de lichtste disciplinaire straf op, een schriftelijke berisping, en vernietigt het eerdere besluit. Tevens wordt appellant in het gelijk gesteld en worden proceskosten en griffierechten aan hem vergoed.
De uitspraak benadrukt dat politieambtenaren zich bewust moeten zijn van hun rol, ook wanneer zij als privépersoon handelen, en dat nalatig handelen een negatieve uitstraling kan hebben op de organisatie. De Raad ziet voldoende aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en komt tot een evenwichtige beslissing.
Uitkomst: Appellant krijgt een schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim en het eerdere besluit wordt vernietigd.