ECLI:NL:CRVB:2020:429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving vanaf 2008 bijstand en kreeg deze in 2012 onterecht ingetrokken, wat leidde tot dakloosheid. Na het vinden van zelfstandige woonruimte in 2017 vroeg hij bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten die hij nog niet had kunnen betalen.
Het college wees de aanvraag af omdat de kosten als algemeen noodzakelijke kosten werden beschouwd en appellant uit zijn inkomen had kunnen reserveren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de kosten noodzakelijk zijn maar niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Appellant had vanaf 2015 kunnen reserveren, mede gezien de nabetaling en rente die hij had ontvangen. Het verlies van zijn woning en het zwervend bestaan werden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd omdat appellant uit zijn inkomen had kunnen reserveren en er geen bijzondere omstandigheden zijn.