ECLI:NL:CRVB:2020:435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstand wegens niet gemelde bijschrijvingen als inkomen
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de bijstand van appellant herzien omdat hij in de relevante periode bijschrijvingen van familieleden op zijn bankrekening ontving die als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet worden aangemerkt. Appellant heeft deze bijschrijvingen niet gemeld, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond en het college de bijstand moest herzien en terugvorderen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Zij overwoog dat bijschrijvingen van derden als middelen worden beschouwd, ook als het gaat om geldleningen, en dat het recht op bijstand niet is bedoeld voor het aflossen van schulden. Appellant kon vrij over de bedragen beschikken en er was geen sprake van giften met een specifiek doel. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, waren niet gebleken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het college niet aannemelijk had gemaakt waarom een deel van de terugbetalingen wel en een deel niet was meegenomen, dat de bijschrijvingen geen terugkerend karakter hadden, dat een deel als gift moest worden gezien, en dat er dringende redenen waren om terugvordering te vermijden. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden en dat de rechtbank deze gemotiveerd had weerlegd. Het feit dat het college rekening hield met terugbetalingen betekent niet dat andere bijschrijvingen buiten beschouwing moesten blijven.
Het hoger beroep werd verworpen en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het college terecht de bijstand over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 september 2016 heeft herzien en € 3.850,72 heeft teruggevorderd van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de bijstand met terugvordering van € 3.850,72 wordt bevestigd.