ECLI:NL:CRVB:2020:657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij afronden studie inwonende dochter
In deze zaak gaat het om de toepassing van de kostendelersnorm door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen na het afronden van de studie van de meerderjarige dochter van appellante. Het college heeft de norm toegepast vanaf 8 juli 2016, omdat de dochter vanaf die datum niet langer studeerde en appellante dit niet had gemeld.
Appellante voerde aan dat het college op de hoogte was van de woonsituatie van haar dochter en dat zij aan haar inlichtingenverplichting had voldaan. Ook stelde zij dat zij niet was gewezen op de gevolgen van het einde van de studie voor de bijstand. Deze bezwaren werden verworpen omdat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het einde van de studie invloed heeft op het recht op bijstand en zij de wijziging had moeten melden.
Verder stelde appellante dat de dochter al medio oktober was verhuisd, waardoor de kostendelersnorm over een kortere periode had moeten gelden. De Raad oordeelde dat de betaling van € 450,- aan de verhuurder geen bewijs is van een eerdere verhuizing en dat de officiële uitschrijving per 28 november 2016 leidend is.
Tot slot heeft appellante geen voldoende onderbouwd beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en wijst de gronden van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens toepassing van de kostendelersnorm.