ECLI:NL:CRVB:2020:783

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
27 maart 2020
Zaaknummer
19-1053 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:112 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:4 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen aanmaningsbrief ANW-terugvordering

Appellante, woonachtig in Marokko, ontvangt een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft bij besluit vastgesteld dat haar uitkering vanaf december 2015 verlaagd moet worden vanwege kostendelersnorm, waardoor zij € 4.238,52 te veel heeft ontvangen. Dit bedrag is teruggevorderd.

De Svb stuurde op 26 maart 2018 een aanmaningsbrief voor een bedrag van € 3.922,38. Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar de Svb verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het een aanmaning betreft waartegen geen bezwaar mogelijk is volgens de Awb. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ziek is, medicijnen gebruikt en geen andere inkomsten heeft, waardoor terugbetaling niet mogelijk is. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank kunnen wijzigen en bevestigt daarom de uitspraak. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aanmaningsbrief van de Sociale verzekeringsbank.

Uitspraak

/19.1053 ANW

Datum uitspraak: 26 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2019, 18/4333 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante die in Marokko woont, ontvangt een nabestaandenuitkering
op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 5 februari 2018 heeft de Svb appellante laten weten dat het normbedrag van haar ANW-uitkering vanaf december 2015 wordt verlaagd van 70% naar 55% van het Nederlands minimumloon omdat is gebleken dat zij met een of meer kostendelers op hetzelfde adres woont. Dit betekent dat zij over de periode december 2015 tot en met januari 2018 € 4.238,52 te veel ANW-uitkering heeft ontvangen.
1.2.
De Svb heeft bij besluit van 5 februari 2018 het bedrag van € 4.238,52 van appellante
teruggevorderd.
1.3.
Bij brief van 26 maart 2018 heeft de Svb appellante laten weten het bedrag van
€ 4.238,52 nog niet te hebben ontvangen en haar aangemaand om voor 9 april 2018 een bedrag van € 3.922,38 (€ 4.238,52 verminderd met een nabetaling van € 316,14) aan de Svb terug te betalen.
1.4.
Bij besluit van 18 mei 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het door appellante tegen de brief van 26 maart 2018 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de brief van 26 maart 2018 een aanmaning is als bedoeld in artikel 4:112 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar kan worden gemaakt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de brief van 26 maart 2018 een aanmaning is in de zin van artikel 4:112 van Pro de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3951) heeft de Svb het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of de Svb het bedrag van € 3.922,38 terecht van appellante terugvordert. Evenmin kan de rechtbank rekening houden met de persoonlijke situatie van appellante.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij ziek is en medicijnen gebruikt, dat zij naast haar ANW-uitkering geen andere inkomsten heeft en dat zij niets terug kan betalen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen ten aanzien van niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verwijst daarnaar.
4.2.
Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.
(getekend) H. Benek
(getekend) E.D. de Jong