ECLI:NL:CRVB:2020:826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellant ontving algemene en bijzondere bijstand sinds 2011, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme tip over het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellante, voerden sociaal rechercheurs een onderzoek uit. Dit onderzoek omvatte het verzamelen van gegevens bij nutsbedrijven, waarnemingen bij adressen, huisbezoeken, getuigenverklaringen van buurtbewoners en een buurtonderzoek.
Het college van burgemeester en wethouders van Wijchen trok bijstand van appellant in vanaf 25 april 2014 en vorderde de betaalde bedragen terug van appellant en appellante. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, met name dat appellante haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
De Raad oordeelde dat appellante haar hoofdverblijf wel degelijk op het uitkeringsadres had, ondanks inschrijving op een ander adres, gelet op verklaringen van appellanten zelf, buurtbewoners, het lage waterverbruik op het andere adres en het aantal waarnemingen van voertuigen. Daarnaast was er sprake van wederzijdse zorg, onder meer door het gezamenlijk gebruik van voorzieningen, het onderhouden van de tuin en het gezamenlijk betalen van boodschappen. Hierdoor was appellant geen zelfstandig subject van bijstand en had hij de inlichtingenplicht geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.