Uitspraak
19.336 MPW
mr. B.J. Engels Linssen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een militair, liep tijdens dienstvoetbal knieletsel op waarvoor in 1972 een dienstverband met een invaliditeitspercentage werd vastgesteld. Dit percentage werd in de loop der jaren verhoogd tot 20%. In 2015 verzocht appellant om een hoger militair invaliditeitspensioen (mip). Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd het invaliditeitspercentage vastgesteld op 25%, gebaseerd op een geringe flexiebeperking en varusstand.
De staatssecretaris wees het bezwaar van appellant tegen dit besluit af. Appellant voerde aan dat er sprake was van toegenomen beperkingen, zoals rugklachten en spataderen, voortvloeiend uit het knieletsel. Hij overhandigde diverse medische rapporten ter onderbouwing en verzocht om een deskundige benoeming.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was uitgevoerd, waarbij ook de aanvullende medische stukken inhoudelijk waren beoordeeld. Er was geen aanleiding om het invaliditeitspercentage te verhogen of een nieuw onderzoek te gelasten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het invaliditeitspercentage van 25% bevestigd.