ECLI:NL:CRVB:2020:861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker/chauffeur, meldde zich in 2012 ziek met rugklachten, gevolgd door psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen, waarna na bezwaar en beroep een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend en later de WIA-uitkering werd beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met de klachten en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, met name rug-, knie- en psychische klachten, waren onderschat en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeert dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk en gemotiveerd zijn. Er is geen aanleiding om de medische beoordeling te betwijfelen of om een deskundige te benoemen. Het verzoek van appellant wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand, en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant wordt met ingang van 17 augustus 2017 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.