ECLI:NL:CRVB:2020:882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen op grond van samenlevingscontract
Appellanten, broer en zus, ontvingen beiden een AOW-pensioen voor alleenstaanden. Na een onderzoek door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarbij onder meer een huisbezoek plaatsvond en een samenlevingscontract werd overlegd, besloot de Svb het AOW-pensioen te herzien naar het gehuwdenpensioen. Dit omdat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren op grond van het samenlevingscontract.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat er geen sprake is van wederzijdse zorg, maar slechts eenzijdige zorg van appellante aan appellant, die gehandicapt is. Ook voerden zij aan dat de relatie louter zakelijk is, mede gezien de bewindvoering van appellant door appellante.
De Raad oordeelde dat het samenlevingscontract een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding oplevert, ongeacht feitelijke zorgverdeling of bewindvoering. Dit vermoeden leidt tot de herziening van het AOW-pensioen. De Raad bevestigde daarmee de bestreden uitspraak en wees de beroepen af.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen van alleenstaande naar gehuwde status wordt bevestigd op basis van het samenlevingscontract.