ECLI:NL:CRVB:2020:895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van mate van arbeidsongeschiktheid en afwijzing hoger beroep tegen WAO-besluit
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, was arbeidsongeschikt vanwege elleboogklachten en ontving een WAO-uitkering met een mate van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling op verzoek van appellant handhaafde het UWV deze mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van 11 oktober 2016. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard bij besluit van 12 mei 2017, gesteund op medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen, verwijzend naar langdurige medische gegevens. Het UWV handhaafde haar standpunt met verwijzing naar een recent rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen juist heeft vastgesteld met de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 maart 2017. Er was geen bewijs van toename van beperkingen door de rechterelleboogklachten en de psychische en reumatische klachten leidden niet tot toegenomen arbeidsongeschiktheid volgens artikel 37 WAO Pro. De Raad onderschreef het oordeel dat appellant medisch geschikt is voor geselecteerde voorbeeldfuncties.
Gelet hierop werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid blijft ongewijzigd.