ECLI:NL:CRVB:2020:914

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
19/91 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Appellante voerde in verzet aan dat zij het griffierecht niet kon betalen vanwege haar financiële situatie en dat de Raad onjuist had beoordeeld door uit te gaan van haar bruto-inkomen in plaats van haar netto-inkomen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat bij onvoldoende financiële draagkracht de heffing van griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren, in strijd met artikel 6 EVRM Pro.

De Raad hanteert criteria voor vrijstelling van griffierecht: het netto-inkomen moet minder zijn dan 90% van de bijstandsnorm en er mag geen vermogen zijn om het griffierecht te betalen. Appellante voldeed hier niet aan, waardoor haar verzoek om vrijstelling werd afgewezen.

De Raad concludeert dat de juiste procedure en criteria zijn toegepast en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 april 2020
19/91 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 november 2018, 18/1204 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 3 december 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2020. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 3 december 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 6 juni 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet geeft appellante te kennen dat zij het griffierecht niet kan betalen omdat zij veel schulden heeft en om die reden onder het bestaansminimum leeft. Ook voert appellante aan dat het verzoek om vrijstelling griffierecht niet juist is beoordeeld en dat de Raad niet van een bruto-inkomen mag uitgaan maar moet kijken naar het netto-inkomen van appellante.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, geoordeeld dat bij onvoldoende financiële draagkracht heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan in deze situatie niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. De Raad heeft voor die gevallen beslist welke criteria in bestuursrechtelijke zaken gehanteerd worden bij een beroep op betalingsonmacht. Om voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking te komen moet een rechtzoekende aannemelijk maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald.
De Raad heeft het verzoek van appellante om haar vrijstelling te verlenen van betaling van het griffierecht afgewezen omdat het netto-inkomen waarover appellante in de hiervoor bedoelde periode maandelijks kon beschikken niet lager lag dan 90% van de maximale bijstandsnorm. Nu de Raad de juiste procedure heeft gevolgd en de beoordelingscriteria ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht correct heeft toegepast, kan al wat in verzet is aangevoerd niet slagen. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) B.V.K. de Louw
GdJ