ECLI:NL:CRVB:2020:914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.
Appellante voerde in verzet aan dat zij het griffierecht niet kon betalen vanwege haar financiële situatie en dat de Raad onjuist had beoordeeld door uit te gaan van haar bruto-inkomen in plaats van haar netto-inkomen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat bij onvoldoende financiële draagkracht de heffing van griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren, in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De Raad hanteert criteria voor vrijstelling van griffierecht: het netto-inkomen moet minder zijn dan 90% van de bijstandsnorm en er mag geen vermogen zijn om het griffierecht te betalen. Appellante voldeed hier niet aan, waardoor haar verzoek om vrijstelling werd afgewezen.
De Raad concludeert dat de juiste procedure en criteria zijn toegepast en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.