ECLI:NL:CRVB:2020:92

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2020
Publicatiedatum
16 januari 2020
Zaaknummer
19/3260 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 WuboArt. 33 Wubo
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding busje voor scootmobiel wegens ontbreken geldig rijbewijs en samenwonende partner

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met lichamelijke en psychische invaliditeit, verzocht om vergoeding voor de aanschaf van een busje met laadklep om zijn scootmobiel te vervoeren. Verweerder wees dit verzoek af omdat appellant geen geldig rijbewijs bezit en ook geen samenwonende partner heeft met een rijbewijs.

De Raad bevestigt dat voorzieningen op grond van de Wubo strikt persoonsgebonden zijn en dat voor een vergoeding van een auto geldt dat de betrokkene of diens samenwonende partner een geldig rijbewijs moet hebben. Mantelzorgers kunnen deze rol niet overnemen omdat dit zou leiden tot gebruik door anderen dan de betrokkene.

Gezien het ontbreken van een geldig rijbewijs bij appellant en het ontbreken van een samenwonende partner met rijbewijs, is de afwijzing terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vergoeding voor de aanschaf van een busje wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

19.3260 WUBO

Datum uitspraak: 16 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 juli 2019, kenmerk BZ011307218 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1923, is op grond van lichamelijke (amputatie linker onderbeen) en psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffers in de zin van de Wubo. Aan hem zijn naast een periodieke uitkering ook voorzieningen toegekend, waaronder een vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten en een vergoeding voor vervoer in verband met medische consulten en/of behandelingen.
1.2.
In maart 2019 heeft appellant onder meer verzocht om toekenning van een vergoeding voor het aanschaffen van een busje (met laadklep) voor het vervoeren van zijn scootmobiel. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 23 mei 2019 en de afwijzing na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat appellant geen geldig rijbewijs heeft en ook geen samenwonende partner heeft met een geldig rijbewijs.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Op grond van de artikelen 32 en 33 van de Wubo komen voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking extra of bijzondere, ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende, kosten van voorzieningen welke noodzakelijk zijn door of in verband met zijn oorlogsinvaliditeit. Hieruit volgt dat een voorziening op grond van de Wubo strikt persoonsgebonden is.
2.2.
Voor het toekennen van een voorziening voor de aanschaf van een auto hanteert verweerder het vereiste dat de betrokkene vanwege zijn causale invaliditeit volledig beperkt is om van alle vormen van openbaar vervoer en van vervoer per taxi gebruik te maken. Daarnaast dient de betrokkene of zijn/haar samenwonende partner te beschikken over een geldig rijbewijs. Dit beleid is in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 32 en 33 van de Wubo. Verwezen wordt naar onder meer de uitspraak van 19 juli 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AE7894.
2.3.
Nu vaststaat dat appellant niet meer beschikt over een geldig rijbewijs en daarnaast geen sprake is van een samenwonende partner, heeft verweerder de gevraagde voorziening voor het aanschaffen van een auto op goede gronden afgewezen. Anders dan appellant voor ogen heeft, kunnen de mantelzorgers die hem met diverse activiteiten helpen niet de rol innemen van de ontbrekende samenwonende partner als bedoeld onder 2.2. In dat geval zou de toegekende strikt persoonsgebonden voorziening ook voor anderen dan appellant kunnen worden gebruikt.
2.4.
Uit 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) F. Demiroğlu