ECLI:NL:CRVB:2020:939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand sinds februari 2015 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een melding van het UWV startte de gemeente Den Haag een onderzoek naar haar woonplaats, waarbij onder meer energieverbruik, bankafschriften en verklaringen van omwonenden werden onderzocht. Op basis hiervan trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug.
Appellante voerde aan dat zij vanwege angststoornissen niet alleen kon zijn en dat haar verklaring onder druk was afgelegd. De Raad oordeelde dat de verklaring rechtsgeldig was, omdat zij deze vrijwillig en zonder dwang had afgelegd en de psychische klachten niet aannemelijk maakten dat zij niet in staat was een juiste verklaring te geven. Ook was het college niet verplicht haar vooraf een cautie te geven.
De Raad concludeerde dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, wat werd ondersteund door haar verklaring, het lage energieverbruik, pinggedrag en verklaringen van buren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.