ECLI:NL:CRVB:2020:94
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als slachtoffer oorlogsgeweld op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellant, geboren in 1948, diende in augustus 2017 een aanvraag in voor toekenning op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvraag in februari 2018 af omdat niet voldoende was aangetoond dat appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR had meegemaakt. Na bezwaar handhaafde verweerder dit besluit.
In het beroepsproces stelde appellant dat hij door traumatische oorlogservaringen getroffen was, onder meer door nachtmerries over oorlogsgebeurtenissen. Echter, gezien zijn geboortejaar en aankomst in Nederland in 1951, moest worden beoordeeld of hij in zijn prille jeugd daadwerkelijk oorlogsgebeurtenissen had meegemaakt. De aangeleverde verklaringen en historische gegevens boden onvoldoende bewijs dat appellant daadwerkelijk betrokken was bij specifieke oorlogsomstandigheden zoals bedoeld in de AOR.
De Raad overwoog dat het ontbreken van objectieve bevestiging dat appellant oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt betekent dat hij niet als slachtoffer van oorlogsgeweld in de zin van de AOR kan worden aangemerkt. De traumatische ervaringen van zijn vader betreffen tweede-generatieproblematiek en vallen niet onder de AOR. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond oorlogsgebeurtenissen te hebben meegemaakt.