Uitspraak
16.4595 WIA
mr. L.J.M.M. de Poel.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als machineoperator, meldde zich in mei 2013 ziek vanwege psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangevuld met beperkingen vanwege sociale fobie en medicatiegebruik, maar de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant nog 79,88% van zijn maatmaninkomen kan verdienen in geselecteerde functies.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies geschikt waren. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de maatmanomvang en het maatmaninkomen onjuist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ernst van zijn sociale fobie verkeerd was ingeschat. De geselecteerde functies voldeden aan de begeleidingsbehoefte en waren medisch geschikt. De berekeningen van maatmanomvang en maatmaninkomen werden eveneens onderschreven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering omdat appellant onvoldoende arbeidsongeschikt is verklaard.