ECLI:NL:CRVB:2020:990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en beëindigde deze op eigen verzoek per 1 oktober 2016. Het college verzocht appellant om bankafschriften over de periode 1 augustus 2015 tot 30 september 2016 in het kader van een onderzoek naar rechtmatigheid van de bijstand. Appellant weigerde deze gegevens te verstrekken. Het college trok daarop de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college geen gegronde reden had om de bankafschriften op te vragen en dat het verzoek een onevenredige inbreuk op zijn privacy vormde. De Raad oordeelde dat het college op grond van artikel 53a PW bevoegd was tot onderzoek en dat de inbreuk op de privacy niet onevenredig was gezien de concrete feiten, waaronder het feit dat appellant een eigen onderneming was gestart en bij meerdere gemeenten stond ingeschreven.
De Raad verwierp ook het verweer dat gesprekken met de casemanager appellant zouden ontslaan van zijn verplichting tot medewerking. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht door appellant.