Uitspraak
19.5423 AW
2 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam bij de Belastingdienst, had bezwaar gemaakt tegen de inschaling van haar functie in salarisschaal 10, terwijl zij meende gelijk te zijn aan collega's die in schaal 11 waren ingeschaald. Na eerdere vernietiging van een besluit door de Raad, handhaafde de staatssecretaris het besluit van 31 maart 2016 bij een nieuw besluit van 2 december 2019.
De Raad oordeelde dat hoewel de staatssecretaris aanvankelijk wisselende standpunten innam, hij uiteindelijk voldoende gemotiveerd heeft dat de werkzaamheden en werkomstandigheden van appellante en de genoemde collega's niet gelijk zijn, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Ook het verzoek om een dwangsom werd afgewezen omdat de ingebrekestelling te laat was gedaan volgens artikel 4:17 lid 6 Awb Pro.
De Raad concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. Bangma op 6 mei 2021.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.