ECLI:NL:CRVB:2021:1100
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WIA-uitkering ondanks toegenomen klachten appellant
Appellant, laatstelijk werkzaam als webontwikkelaar, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 73,35%. Na melding van toegenomen klachten in 2016 stelde een verzekeringsarts vast dat zijn medische belastbaarheid niet was gewijzigd, waarna het UWV zijn uitkering verlaagde naar 48,30%.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze verlaging en stelde dat meer beperkingen, waaronder een urenbeperking, in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) hadden moeten worden opgenomen. Tevens voerde hij aan dat het UWV een reductiefactor van 16/32 had moeten toepassen bij de beoordeling, zoals bij de eerdere vaststelling in 2011.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidsdeskundige beoordeling passend. De Raad wijst het verzoek tot terugverwijzing af, omdat appellant tijdens de gehele procedure bijgestaan was door een advocaat en geen sprake was van een oneerlijk proces.
De Raad bevestigt dat het UWV bevoegd is de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen en dat een onveranderde medische situatie kan leiden tot een verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage. De Raad onderschrijft het oordeel dat de geselecteerde functies passen binnen de medische belastbaarheid en dat geen reductiefactor toegepast hoeft te worden omdat de functies minimaal 32 uur per week omvatten.
Het hoger beroep wordt afgewezen, de verlaging van de WIA-uitkering bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding en proceskosten wordt afgewezen.
Uitkomst: De verlaging van de WIA-uitkering naar 48,30% wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.