Appellante, met chronische PTSS, dissociatieve stoornis en complexe fysieke klachten, vroeg op 20 februari 2018 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat de somatische klachten geen blijvende behoefte aan 24-uurs zorg rechtvaardigen en de psychische klachten geen toegang tot de Wlz bieden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren en dat de stoornissen psychisch van aard zijn. Appellante stelde in hoger beroep dat zij door haar lichamelijke klachten, waaronder wegrakingen en rolstoelafhankelijkheid, wel degelijk recht heeft op Wlz-zorg.
De Raad overwoog dat appellante voldoende procesbelang heeft omdat zij met het beroep wil bereiken dat zij een persoonsgebonden budget kan aanvragen om haar zoon te betalen voor zorg. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de zorgbehoefte voortkomt uit psychische problematiek en niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.2.1 Wlz. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.