ECLI:NL:CRVB:2021:1119
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek uitkering burger-oorlogsslachtoffers wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht aanvankelijk om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), maar haar aanvraag werd in 2009 afgewezen omdat het verblijf in een scholencomplex tijdens de Japanse bezetting niet onder de Wubo viel. In 2019 diende zij een herzieningsverzoek in, dat in 2020 werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep toetste het bestreden besluit met terughoudendheid vanwege de discretionaire bevoegdheid van verweerder. Centraal stond de vraag of er nieuwe feiten of gegevens waren die een andere beslissing rechtvaardigen. Appellante stelde dat zij en haar familie tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode geïnterneerd waren en dat zij mishandeld en verkracht was, maar kon dit niet met getuigen of documenten onderbouwen.
De Raad concludeerde dat geen nieuwe feiten of gegevens waren overgelegd die de eerdere afwijzing konden wijzigen. De verhalen van appellante waren gebaseerd op mondelinge overlevering zonder bewijs en de raadpleging van dossiers leverde geen bevestiging op. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek blijft in stand.